Bijlage bij brief aan directie DNB inzake systeemkeuze

Opmerkingen BP DNB naar aanleiding van de voorlopige keuze voor de solidaire premieregeling.

  • Uit het risico preferentie onderzoek blijkt dat (naast andere keuzemogelijkheden) bijna 50 % van de actieven en slapers zelf invloed wil hebben op hun beleggingen en 64 % wil de keuze hebben hoeveel beleggingsrisico ze willen lopen.
    Verder heeft 22% liever een vast pensioen, ook al is dat lager dan het variabele pensioen. Met name leeft die wens ook bij de huidige oudere gepensioneerden.
    Deze keuzemogelijkheden bestaan echter alleen binnen de flexibele premieregeling.
  • Sociale partners zijn huiverig om t.a.v. de beleggingen zelfs maar de geringste keuzevrijheid te bieden gelet op de specifieke positie van DNB medewerkers. Uiteraard legt een functie bij DNB beperkingen op aan de mate waarin deelnemers zelf direct invloed kunnen uitoefenen op hun beleggingen. Echter, niet valt in te zien waarom bij DNB – evenals het geval is bij de ECB – niet de mogelijkheid geboden zou kunnen worden uit bijv. een drietal meer of minder risicovolle investeringsportefeuilles te kiezen en die keuze ook (met beperkingen qua frequentie en periode) te kunnen wijzigen. Daarmee zou tegemoet gekomen worden aan de wens van 64% van de deelnemers.
    Er zijn naar ons oordeel dan ook geen belemmeringen uit hoofde van de specifieke positie van DNB medewerkers om binnen een flexibele regeling enige keuzevrijheid t.a.v. de beleggingen te bieden, in overeenstemming met de voorkeur uit het risicopreferentie onderzoek.
  • Bij waardeoverdracht t.g.v. uitdiensttreden wordt geen aandeel meegegeven in de solidariteitsreserve. Dat is nadelig voor DNB werknemers en zal veel werknemers treffen gezien het relatief groot verloop. Te meer daar betrokkenen naar verwachting vaak in de financiële sector werkzaam zullen blijven. Bedrijven in die sector hebben of krijgen zoals het zich nu laat aanzien merendeels zelf flexibele premieregelingen. Flexibele regelingen kunnen wel opteren voor een risicodelingsreserve, maar die zal veelal lager zal zijn dan een solidariteitsreserve.
  • De solidaire regeling is complex en moeilijk communiceerbaar.
    Het zal leiden tot verschillende procentuele aanpassingen van de uitkering van gepensioneerden – afhankelijk van de leeftijd – door de wijze van toedeling van de resultaten op de beleggingen. In aanmerking nemend dat gepensioneerden onderling veel contacten hebben kan dat veel vragen oproepen.
    Een gelijke procentuele aanpassing van de uitkering is alleen mogelijk bij volledige afdekking van het renterisico, wat veelal tot gevolg heeft dat een suboptimaal beleggingsbeleid gevoerd moet worden. Dat kan ten koste gaan van het rendement en het uiteindelijk potentieel tot toeslagverlening.
  • Overweging 11 van de Europese Pensioenrichtlijn IORP-II verplicht tot eerbiediging van een aantal grondrechten bij uitvoering van de richtlijn, onder meer inhoudende: ‘het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning’.
    Volgens het ‘Besluit toekomst pensioenen’ hoeft na pensioeningang slechts de oude en de nieuwe pensioenuitkering gecommuniceerd te worden. Het is aannemelijk dat gepensioneerden op grond van overweging 11 van IOPR II ook informatie kunnen eisen over (het verloop van) hun persoonlijk aandeel in het fondsvermogen, met alle bijkomende complexiteit; denk bijv. ook aan de mogelijkheid dat het beschermingsrendement negatief is. Dezelfde problematiek doet zich voor bij de actieven.

 

Bij de door sociale partners gehanteerde argumenten voor hun keuze voor het solidair contract willen wij ook nog enkele kanttekeningen plaatsen.

  • Het argument dat de solidariteitsreserve bijdraagt aan het voorkomen van pech en geluk generaties blijkt volgens Netspar onderzoek niet correct.
  • Als nadeel van het flexibele contract werd genoemd dat de risicodelingsreserve (naast de initiële vulling bij de transitie) alleen uit premie gevuld mag worden. Echter de betreffende reserve mag – als sprake is van keuzevrijheid t.a.v. de beleggingen – niet aangewend worden om negatieve beleggingsresultaten te compenseren. Het vullen van die reserve uit overrendement ligt dan ook niet voor de hand.
    Die reserve zal naar verwachting daarom in de praktijk nagenoeg alleen aangewend worden voor dekking van biometrische risico’s waarbij het macro lang leven risico het grootste risico vormt. Dat risico treft met name de jongeren. De ‘uitdeling’ uit die reserve zal dan ook vooral ten gunste van de jongeren komen.
    Het (naast de initiële dotatie bij de transitie) vullen uit premies van deze reserve is dan ook juist voor de hand liggend en het meest evenwichtig.
  • Ander nadeel van de flexibele regeling is naar het oordeel van sociale partners de plicht tot een toereikende voorlichting en keuzebegeleiding. Dat betreft echter primair een zorg van het fonds en niet van de sociale partners. Pas als het fonds uitspreekt daar grote problemen mee te hebben zouden sociale partners dat als argument kunnen gebruiken.